Alemene voorwaarden

De artikels 883 e.v. Ger.W. regelen de procedure van het schriftonderzoek. Deze bepalingen zijn opgenomen in hetzelfde hoofdstuk inzake bewijs, waarin het deskundigenonderzoek behandeld wordt.

Deze procedure is desgevallend een noodzakelijk middel voor een gedingpartij om het herstel te bekomen van de bewijswaarde van een onderhandse akte, wanneer die overeenkomstig art. 1324 B.W. door een andere partij ontkend wordt. Door deze ontkenning verliest de onderhandse akte haar bewijskracht, die op grond van art. 1322 B. W. gelijkgesteld is met deze van een authentieke akte, althans tussen de ondertekenaars en hun erfopvolgers.

Art. 888 Ger.W. bepaalt dat wanneer een partij het geschrift of de handtekening loochent of niet erkent, de rechter het te onderzoeken stuk, alsmede de door de partijen overgelegde documenten van vergelijking, parafeert. De griffier maakt een proces-verbaal op dat door de rechter en hemzelf alsmede door de partijen ondertekend wordt. Daarna kan de rechter de zaak onmiddellijk behandelen indien hij van oordeel is dat ze zonder meer kan worden berecht (art. 889 Ger.W.).

In het ander geval beveelt hij dat de stukken waarvan sprake in art. 888 Ger.W. worden neergelegd op de griffie en besluit hij tot alle dienstige onderzoeksmaatregelen die hij zelf verricht of onder zijn leiding laat verrichten (art. 889, 2° lid Ger.W.). Naast het feit dat hij aan de loochenende partij een aantal woorden als schrijfproef kan dicteren, wordt uit het tweede lid van art. 889 Ger.W. de grondslag geput voor het specifiek deskundigenonderzoek inzake geschrift.